|
Stichting Trésor Utrecht |
![]() Apen in de schatkamerEen denkbeeldig gesprek met een denkbeeldige bezoeker van TrésorJan van Hooff"Wat een prachtig bos! En ik heb tijdens onze wandeling ook de nodige apen gezien""Jazeker, en er zitten vijf soorten, dus bijna allemaal" "Hè, wat allemaal..., vind je vijf veel? Ik heb er de dierenencyclopedie even op nageslagen voor ik naar Guyana vertrok, en ik heb gezien dat er vele tientallen soorten apen leven in Zuid- en Midden-Amerika. Dus dan vind ik vijf maar weinig. Als het een goed bos is, dan verwacht je toch een grote soortenrijkdom, ja toch?" "Oh zeker, maar dan is vijf best wel veel. Want al die Zuid- en Midden-Amerikaanse apen komen voor in een paar grote soortengroepen. En uit vijf van die soortengroepen vinden we 'n soort in Guyana. Zal ik ze even opnoemen?" "Ja, ga je gang"
"Nou dat zijn dan allereerst de klauwaapjes. Daartoe behoren de marmoset- en tamarijnaapjes. Dat zijn heel kleine aapjes. Ze hebben niet, zoals alle andere apen, de mensapen en de mens, platte nagels, maar klauwnagels. Daarmee kunnen ze in bomen klimmen zoals eekhoorntjes dat doen." "Ja, die heb ik gezien; ze zijn zelfs veel kleiner dan eekhoorntjes" "Juist. Wat jij gezien hebt is het Goudhandtamarijntje, Saguinus midas, die hier in Trésor voorkomt. In totaal zijn er wel zo'n 28 soorten klauwaapjes" "Maar dan vind ik één soort in Trésor maar heel magertjes!" "Nou, dan vergis je je. Er is een heel goede reden waarom er als regel maar één soort gevonden wordt. Al die soorten marmosets en tamarijntjes hebben ook een soortgelijke levenswijze. Hun voornaamste voedsel bestaat uit insecten, vruchten en plantensappen, zeg maar harsen. Die likken ze op uit wonden van boomstammen en takken. De marmosets hebben zelfs aangepaste ondertanden om de bast mee aan te bijten, zodat de hars vrijkomt. Nu is er niet oneindig veel plaats voor dieren met een bepaalde levenswijze, in hun ecologische nis, zoals dat zo mooi heet in het biologisch jargon. Er is concurrentie om de beschikbare plekken in de nis die de soort bezet. Als twee verwante soorten dezelfde nis zouden bezetten, dan kunnen er twee dingen gebeuren. Allereerst zou het stom toeval zijn als beide soorten even goed zouden zijn aangepast aan dezelfde nis. In dat geval zal de soort die daar effectiever en efficiënter gebruik van maakt de andere soort op termijn wegconcurreren, zodat er maar één overblijft. Maar het kan ook zijn dat de ene soort iets beter is aangepast aan één bepaald aspect van hun gezamenlijke nis en de andere aan een ander. In dat geval drijft de natuurlijke selectie ze een verschillende richting uit; ze specialiseren zich dan op dat aspect van de levenswijze waarin ze het beste zijn. Ze gaan dus sterker verschillen. In het algemeen zie je dus: één soort in elke ecologische nis." "Maar waarom dan toch achtentwintig soorten klauwaapjes?" "Nou, dan moet je je even voorstellen hoe Zuid-Amerika eruitziet. Het is heel erg waterrijk en het wordt doorsneden door een groot aantal rivieren die splitsen en weer samenvloeien en daardoor een groot aantal afgescheiden gebieden maken, een soort oerwoudeilandgebieden. De groepen die daar leven kunnen zich haast niet meer vermengen met groepen aan de andere kant van de rivier. Dat geldt met name voor zulke kleine diertjes als de klauwaapjes. Op den duur groeien ze uit elkaar; ze gaan geleidelijk steeds meer van elkaar verschillen in zulke kenmerken als haarpatronen en haarkleuren. Maar ze blijven wel meestal een soortgelijke nis bezetten." "OK. Ik snap dat er in Guyana maar één soort klauwaapje voorkomt. En die andere vier soorten bezetten dan zeker allemaal een verschillende nis?" "Juist je hebt het begrepen" "En wat zijn dat dan wel voor soorten en nissen?"
"Wel laat ik als volgende soort de Zwarte spinaap noemen, of zoals ze in het Nederlandstalige buurland zeggen, de Slingeraap (Ateles paniscus). Die heb je trouwens vanmiddag ook gezien" "Was dat die grote slanke zwarte aap, met die lange armen en benen en die lange grijpstaart? Dat was grappig hoe hij daarmee zonder achterom te kijken toch feilloos een tak wist te pakken. En hij bleef, met zijn armen en benen los, aan die tak hangen. Wat was dat trouwens voor een kale plek die hij aan de binnenkant van de staarttip had zitten?" "Ja, dat is wel aardig. Omdat hij zijn staart gebruikt om er dingen mee te grijpen, zit er aan de binnenkant van de staartkrul geen haar meer. Sterker nog, er zitten ribbels, die lijken op vingerafdrukken, waardoor de glijweerstand toegenomen is; z'n staart slipt dus niet gemakkelijk van de takken af" "En wat is zijn bijzondere levenswijze?" "Slingerapen zijn bij uitstek vruchteneters, die hoog door het kronendak van vruchtboom naar vruchtboom trekken. Dus echt wel bijzonder, dat je er gezien hebt. Ze leven in groepen, maar die splitsen zich vaak op in kleinere subgroepen, zodat ze niet allemaal tegelijk op een en dezelfde vruchtboom afgaan. Zo vermijden ze te grote onderlinge concurrentie. Ze trekken over grote afstanden naar bomen die op dat moment rijpe vruchten dragen en blijken ook een goed topografisch geheugen te hebben." "Wat bedoel je met topografisch geheugen?" "Wel, ze bezitten een soort mentale kaart van hun uitgestrekte leefgebied, waarbij ze weten waar de vruchtbomen staan en wanneer die de moeite waard zijn om te bezoeken. Ze onthouden welke ze onlangs bezocht hebben, zodat ze niet tevergeefs opnieuw naar een boom gaan die ze pas geleden hebben leeggeplunderd. En dat vergt het een en ander van je geheugen en voorstellingsvermogen." "Waren dat trouwens ook die herrieschoppers, die we vanmorgen vroeg gehoord hebben? Tjonge wat een kabaal maakten die schreeuwlelijken."
"Nee, dat was weer een andere soort, de derde in ons pakket. Dat waren brulapen. Daarvan bestaan acht soorten. De onze is de Rode brulaap (Alouatta seniculus). De leden van een brulapengroep zetten regelmatig een heel grote keel op, waarmee ze hun aanwezigheid aan naburige groepen kenbaar maken. Zo bevestigen ze wat hun leefgebied is. Naburige groepen weten dat dan en laten het uit hun hoofd om het buurterritorium binnen te trekken. De brulapen brullen in koor. Uit de 'eenstemmigheid' waarmee ze zingen kunnen de buren ook afleiden hoe eensgezind de groep is. Want als die eensgezindheid niet groot is, zou je het best kunnen wagen om een confrontatie aan te gaan." "Ik begrijp dus dat ze een territorium hebben, dat ze verdedigen. Hebben spinapen dat dan niet?" "Goeie vraag! Nee, het leefgebied van spinapen is zo groot, dat ze het onmogelijk kunnen verdedigen; in de groene soep van het oerwoud zouden ze ook onmogelijk kunnen vaststellen of er aan de andere kant niet een buurgroep binnentrekt." "Waarom dan wel bij brulapen?" "Dat hangt samen met hun levenswijze. Brulapen zijn voornamelijk bladeters; ze eten vooral het jonge blad van bomen. En dat vinden ze overal om zich heen. Ze kunnen dus toe met veel kleinere territoria, die dus ook overzichtelijk zijn, of - laten we er een nieuw woord voor verzinnen - 'overhoorlijk'. Bladeters hebben het overigens niet gemakkelijk. Blad is moeilijk verteerbaar; de energie is moeilijk toegankelijk. Ze hebben daarvoor speciale aanpassingen in hun spijsverteringsapparaat. En omdat ze uit hun bladmaal minder energie halen zijn ze er ook zuiniger mee; ze zijn dan ook nogal traag. En ze lijken beslist minder intelligent dan de spinapen" "Minder intelligent..., hoezo?" "Wel blad eten dat rondom je groeit in een betrekkelijk klein territorium stelt geen hoge intellectuele eisen..." "Ach zo...! En wie hebben we verder nog?"
"Ja, weer iets heel anders zijn de doodshoofdaapjes, of monki-monki zoals de Surinamers zeggen. Die zijn groter dan de tamarijntjes, maar toch veel kleiner dan de spinapen en brulapen. Ook daarvan komen zo'n vijftal soorten voor. De onze is het Gewone doodshoofdaapje Saimiri sciureus." "Wat zeg je..., doodshoofd...?" "Ja, hun ronde koppie lijkt er in de verte wat op. Maar het is best een snoezig koppie met een zwart snuitje en grote witte kringen rond de zwarte ogen. Ze zien er heel aaibaar uit maar hebben niettemin scherpe tandjes. Ze springen en tuimelen door het oerwoud in grote levendige groepen en ze voeden zich vooral met dierlijke producten, zoals jonge vogeltjes, insecten (sprinkhanen, rupsen), krabbetjes en slakken; daarnaast lusten ze ook wel fruit en zaden. En dan komen we tenslotte bij onze twee monniken." "Hè, wat zeg je me nou?" "Ja, ik bedoel kapucijners."
"Nee, ik bedoel kapucijnermonniken. Die droegen behalve een bruine pij ook een bruin kalotje op hun hoofd. Vanwege de gelijkenis van dat kalotje hebben ze hun naam gegeven aan de kapucijnerapen, waarvan er in Trésor twee soorten voorkomen, de Bruine kapucijneraap (Cebus apella, de kesi-kesi van de Surinaamse buren) en de Wigmutskapucijner (Cebus olivaceus)..." "Hé...! Dus toch twee verwante apensoorten in hetzelfde gebied. Daar gaat die mooie theorie van je, dat je van soortgroepen maar één soort in een ecologische nis aantreft." "Ho ho, niet zo haastig. Ik zei ook, dat als je er twee aantreft, dat je dan mag verwachten dat ze elkaar in een verschillende ecologische richting duwen. Maar goed, je hebt je punt, want ik kan niet hard maken dat dit hier ook het geval is. We weten eenvoudigweg nog te weinig van hun levenswijze - en dan bedoel ik het verschil daarin - om te snappen hoe ze naast elkaar kunnen bestaan zonder dat de een de ander verdringt. Als je er een jaartje of wat voor over hebt om hun ecologie eens grondig uit te zoeken, dan ben je van harte welkom." "Oh, ik zou hier graag een paar jaartjes willen zitten. 't Is mooi genoeg hier, maar kun je ook de centen leveren voor m'n kostje?" "Zullen we dat dan maar vergeten. Over die kapucijnerapen...; het meeste weten we van de Bruine kapucijner. Het zijn echte alleseters; ze lusten fruit, zaden, maar ook dierlijke prooi, zoals insecten, slakken, enz. Ze leven in grote groepen, waarbij zich heel vaak doodshoofdaapjes aansluiten. Die zijn veel kleiner en een gewilde prooi voor bepaalde roofvogels. Ze voelen zich blijkbaar veiliger in de buurt van kapucijners. Het zijn boeiende dieren, die kapucijnerapen, echte opportunisten en generalisten. Ze worden tot de meest intelligente apensoorten gerekend. Opvallend is dat ze in het wild werktuigen gebruiken, zoals stokjes e.d." "Is dat dan zo bijzonder?" "Ja, wel degelijk. We kennen geen andere Zuid-Amerikaanse apensoorten die dit doen. Ook onder de apen van de oude wereld is dat zeldzaam; daar kennen we het eigenlijk alleen van de mensapen. Die doen het overigens op grote schaal en dat maakt ze wetenschappelijk zeer interessant. Kapucijners gebruiken onder andere stenen als hamer om daarmee noten kapot te slaan. Geen wonder dus, dat ook kapucijnerapen in verschillende onderzoeksinstituten worden gehouden om daar hun kenvermogens in kaart te brengen. Dierlijke kenvermogens en intelligentie zijn momenteel een 'hot topic' in de gedragsbiologie. Onze beroemde landgenoot Frans de Waal, die in de VS gedragsonderzoek aan primaten doet werkt o.a. met kapucijnerapen." "Nu je het zegt. Bereikte hij een tijdje geleden niet het wereldnieuws met zijn proeven waaruit zou blijken dat kapucijnerapen een 'sense of fairness' hebben?" "Ja zeker. Hij liet twee aapjes, die in kooitjes naast elkaar gezeten waren en elkaar dus ook konden zien, werken voor een fiche. Die fiche konden ze dan omruilen voor een stukje komkommer. Dat deden ze maar wat graag. Toen ze daar beide aan gewend waren, gaf hij één van de twee een druif in plaats van de komkommer. De andere aap, die dit gezien had, kreeg echter een stukje komkommer aangeboden. Die weigerde op slag zijn fiche in te ruilen of hij smeet de gekregen komkommer wild weg (de buurman, die net z'n druif op had, pakte dat stukje er nog bij; immers niks mis met komkommer)." "Dus de aap voelde zich tekort gedaan, en was door z'n weigering nog slechter af dan wanneer hij de komkommer gewoon had geaccepteerd." "Ja, je moet blijkbaar wat voor je principes over hebben, bij wijze van spreken dan." "Maar daar zul je in het oerwoud wel weinig van zien, denk ik." "Natuurlijk, maar het is wel een boeiende vraag waarvoor die vermogens, die we in het laboratorium kunnen aantonen, in het wild gebruikt worden. Nog een reden om hun gedrag in de natuur eens gedetailleerd uit te zoeken." "Werktuiggebruik, zei je toch?" "Ja, maar waarschijnlijk is er veel meer." "In ieder geval heb ik veel van je geleerd. Ik snap nu dat die vijf apensoorten ieder een heel eigen plaats in het ecosysteem van Guyana innemen. Dank je wel. Ik bekijk nu de 'rijkdom' van Trésor weer met heel andere ogen." ![]() |