Zoeken  Home  Contact
Stichting Trésor Utrecht


Pijlgifkikkers

Loek van der Klugt

Zijn boomkikkers vooral bewoners van de hogere regionen van het woud, pijlgifkikkers zijn voornamelijk bodembewoners. Dat neemt niet weg dat men bijvoorbeeld Dendrobates tinctorius wel eens bovenop de dikke stam van een omgevallen boom tegenkomt, vanwaar het dier dan als het ware zijn territoir overziet en dat de mini-gifkikker Minyobates ventrimaculatus wel tot enkele meters hoog kan worden aangetroffen. Anders dan de meeste boomkikkers springen gifkikkers niet van tak tot tak, maar hupsend klauteren doen ze best wel. De familienaam verwijst ook naar dat gedrag: Dendro = boom, batere = klimmen. Ander onderscheid: boomkikkers zijn hoofdzakelijk schemerings- of nachtactief, gifkikkers kun je gerust dagactief noemen. Daarnaast hebben ze een broedbiologie die je bij boomkikkers niet tegenkomt.

Dendrobates tinctorius in de kleurstelling en
grootte die typisch zijn voor het Kawgebergte
foto Lotty Sonnenberg, Trésor-donateursreis 2006

Minyobates ventrimaculatus bij woonholletje in boomstronk
foto Corrie Gerritsen, Emerald Jungle Village,
Trésor-donateursreis 2006.

Colosthetus beebei.
foto Loek van der Klugt, Trésor 2006.

Voordat taxonomen* zich met de Dendrobatidae gingen bemoeien, vonden liefhebbers dat het rijk van de gifkikkers tamelijk overzichtelijk was ingedeeld.
Voldeed een kikker voldoende aan de geldende criteria om pijlgifkikker (Engels: poison dart frog) genoemd te mogen worden, dan waren er op de eerste plaats twee grote groepen te onderscheiden: nogal kleurige en weinig kleurige. De weinig kleurige kikkers kon je zonder meer als een lid van het geslacht Colosthetus beschouwen. De kleurige kikkers behoorden hetzij tot het geslacht Dendrobates, hetzij tot het geslacht Phyllobates (= bladklimmers).
Dat onderscheid was voor liefhebbers met kweekervaring echter niet al te lastig: Dendrobates zet met omstreeks vijf per keer weinig eieren af en de larven zijn kannibalistisch, Phyllobates produceert met 20-25 eieren duidelijk meer eieren en de daaruit voortkomende larven zijn niet kannibalistisch.
Helaas, voortschrijdend inzicht, zoals dat zo fraai heet, maakte het volgens wetenschappers niet alleen nodig dieren aan de hand van nieuwe of extra criteria van het ene naar het andere geslacht te schuiven, maar ook nog eens de toch zo overzichtelijke geslachtsindeling met het opstellen van allerlei nieuwe geslachten heel wat minder behapbaar te maken.
Een van de ooit toegepaste criteria was bijvoorbeeld de samenstelling van het huidgif. Heel interessant, maar als criterium niet bruikbaar gebleken toen duidelijk werd dat de gifsamenstelling niet zozeer soortgebonden als wel voedselgebonden bleek te zijn. Het gif van een gifkikker hangt namelijk, net als bij rupsen, af van wat hij eet. Komt een soort dus op meerdere plaatsen voor en verschillen op die plaatsen de gifbepalende voedseldieren, dan zouden die kikkers op die andere plaatsen dus tot een andere soort behoren! Wel interessant natuurlijk, die kennis. Zo valt het te begrijpen dat het huidgif van Dendrobatidae in gevangenschap snel afzwakt en bij nakweekdieren nog nauwelijks aanwezig is. Immers, welke liefhebber kan zijn dieren geven wat die in de natuur allemaal happen? Overigens, het huidgif van gifkikkers mag dan soms zo sterk zijn dat met het gif van één Dendrobates terribilis (vandaar de naam - terribilis = de verschrikkelijke!) 10 mensen gedood zouden kunnen worden. Daarvoor moet het gif wel in de bloedbaan terechtkomen. Het werkt dan op het centrale zenuwstelsel. Symptomen zijn dan enorme krampen, ademnood, op hol slaan van het hart en uiteindelijk begeven daarvan.

Verder is het nu ook weer niet zo dat een gifkikker in gif gehuld gaat. Om het gif te doen vrijkomen moet de kikker zich sterk bedreigd voelen. Hij zweet het dan als het ware uit. Indianen die het gif voor hun (blaas)pijlen gebruiken (vandaar pijlgifkikkers) 'oogsten' het gif dan ook door de kikker aan een stokje te spietsen of ze boven een vuurtje te houden… Voordeel van het gebruik van dat gif: een daarmee aangeschoten aap verlamt meteen en valt daardoor uit de boom - door een kogel geraakt, verkrampt zo'n dier en houdt zich vast aan de tak waarop hij zat!
De functie van het huidgif voor de kikker zelf is afweer tegen schimmels en bacteriën die er in zijn leefmilieu in massa zijn en ook afweer tegen predatoren. Uit die laatste functie verklaart men dan ook wel de kleurigheid: de predator zou zich na eenmaal toegehapt te hebben wel een tweede keer bedenken zo'n kleurig hapje nog eens tot het zijne te maken. Een signaalfunctie dus! Aanhangers van die theorie wijzen graag op de geringere giftigheid van de weinig kleurige leden van het geslacht Colosthetus.
Dat kan best waar zijn, maar omgekeerd gaat dat verhaal zeker niet altijd op. Op Madagascar komen uitermate kleurige (dagactieve!) kikkers van het geslacht Mantella voor, die in het geheel niet giftig zijn en ook niet aan mimicry doen (= wel giftige dieren nabootsen). Omgekeerd zijn er weinig kleurige kikkers die best een sterk giftig huidsecreet bezitten. Voorbeeld daarvan is Phrynohyas venulosa (venulosa: venijn!) die juist vanwege de witachtige, giftige afscheiding die gestresste dieren produceren Melkkikker (Mirki toddo in Sranang tongo) wordt genoemd.
In Trésor zijn Phrynohyas hadroceps en Phr. resinifictrix waargenomen.

Voortplanting


Legsel van Epipedobates tricolor met zichtbare larven in de
geleiklompjes op blad
foto Loek van der Klugt, terrarium

Allobates trivittatus man met larven op de rug
foto Lotty Sonnenberg,
Trésor-donateursreis 2006, Brownsberg.

Larve van Dendrobates tinctorius in geleiklompje met
uitwendige bloedvaten die als kieuwen fungeren
foto Loek van der Klugt, terrarium

Mannetje van Epipedobates tricolor in ondiep water met nog
twee vastgezogen larven op de rug en één larve die al heeft
losgelaten
foto Loek van der Klugt, terrarium
De broedbiologie van gifkikkers is beslist interessant. Ook hierin zijn twee groepen te onderscheiden. Alle gifkikkers zetten hun eieren af op een vochtig substraat, veelal een blad of een ander relatief glad materiaal. Zo plaatsen kwekers petrischalen onder een halve kokosnoot waaruit bij wijze van poortje een stukje is gebroken. Het substraat moet zich op een plek bevinden waar een hoge luchtvochtigheid heerst en het vanzelfsprekend niet te koud, maar vooral ook niet te warm is. Ga maar na: hun leefmilieu is de altijd vochtige en relatief koele bladvallaag van het bos. Bekend is het verhaal dat gifkikkers hun eieren graag afzetten op het gladde blad van een bromelia, waardoor de vrijkomende larven vanzelf de altijd wel water bevattende, centrale koker of bladoksel van een bromelia inglijden. Dat komt inderdaad voor, maar lang niet alle soorten kennen dit verhaal. Minyobates ventrimaculatus, met een volwassen grootte van omstreeks 15 mm zeker geen grote soort (Miny!), tref je bijvoorbeeld veel aan in de bladoksels van Heliconiasoorten. Van die soort is wel bekend dat ze de eieren zodanig afzetten dat de larven vanzelf een bladoksel inglijden, maar het is beslist geen regel.

Standaard verzorgt een van de ouders het legsel tot de larven vrijkomen, op de rug van het verzorgende ouderdier klimmen om vervolgens door dat ouderdier naar het opgroeiwatertje te worden getransporteerd. Bij verreweg de meeste soorten is dat de taak van het mannetje. Na het afzetten van de eieren bevrucht de man de eieren door op het legsel plaats te nemen en er zijn homvocht over uit te laten lopen. Dat kan soms pas enige tijd na het afzetten van de eieren gebeuren. Het mannetje is dan wel bij het afzetten aanwezig, maar gaat zich eerst even volzuigen met water! Vervolgens komt de man periodiek terug, gaat op het legsel zitten en bewatert dat. Daarmee houdt hij het legsel vochtig en vrij van schimmel.

De larven ontwikkelen zich elk in hun aparte geleiomhulsel. Dat fungeert als een soort privé aquarium - na verloop van tijd ziet men de larven er vrij in rondtoeren! Die gelei moet voldoende vochtig blijven, maar niet zo vochtig worden dat hij uitvloeit. Immers, hij moet de larven van een gunstig opgroeimilieu voorzien en dat houdt onder andere in: zuurstof van buiten naar binnen doorlaten en koolzuurgas van binnen naar buiten. Uitwendige bloedvaten fungeren als kieuwen. Tegen de tijd dat de larven 'uitontwikkeld' zijn, gaat pa het legsel 'betrappelen'. Dat leidt op zeker moment tot het vrijkomen van de larven. Die kronkelen zich vervolgens naar een plekje op zijn rug, alwaar zij zich vastzuigen.

Vervolgens gaat pa met zijn kroost op weg naar een ondiep watertje waarin hij de larven vrijlaat. Daartoe neemt hij in dat watertje plaats en schudt zijn lijf tot de larven - soms met merkbare tegenzin! - loslaten. Daarmee zit de taak van pa erop, tenminste als hij niet nog eens een ritje moet maken om de rest van zijn kroost op te halen.

Verbazingwekkend genoeg is er ook een broedbiologie ontstaan waarbij de taak van pa door ma wordt waargenomen. In dat geval brengt ma de larven stuk voor stuk naar een eigen (mini)watertje en dat is dan vrijwel steeds wel de bladoksel of koker van een bromelia of plant met vergelijkbare eigenschappen. Vervolgens gaat ma dagelijks haar jongen langs om iedere larve een onbevrucht ei te brengen! Voor die jongen is dat het enige voedsel. Die groep gifkikkers wordt dan ook als oöfagen (= ei-eters) aangeduid. Prachtig, toch? Logisch dat dit kikkers zijn die maar 4-5 jongen per keer kunnen grootbrengen. Dit broedgedrag is bekend van Dendrobates histrionicus en de sterk daaraan verwante D. lehmanni van Colombia en D. pumilio van Costa Rica en Panama. Opmerkelijk is dat deze broedzorg ook voorkomt bij Minyobates quinquevittatus, maar niet bij M. ventrimaculatus die toch tot dezelfde groep wordt gerekend. M. ventrimaculatus produceert daarvoor veel te grote legsels! _______________


* taxonomen: biologen die zich met de naamgeving en de daarmee samenhangende indeling van levende wezens in families, geslachten, soorten en ondersoorten bezighouden.


Contact | Sitemap | Auteurs | Webmaster | ©2006 Stichting Trésor