Zoeken  Home  Contact
Stichting Trésor Utrecht


Dagvlinders van Trésor ? een inleiding

Hajo Gernaat

Vlinders vormen een prominent aspect van Frans Guyana en Suriname. Kleine vlindertjes met staartjes en zilveren stippen zitten in de regentijd met honderden op de Mokomoko (Montrichardia arborescens), hele wolken witte en gele vlinders kunnen in de droge tijd aan de rivieroevers worden gezien, grote blauwe morfovlinders zeilen statig voorbij in het bos. Eigenlijk zijn vlinders overal en altijd wel te zien.

Vlinders behoren tot de klasse van de Insecta en tot de orde van de Lepidoptera ofwel schubvleugeligen. Deze naam refereert aan het feit dat de vleugels aan weerszijden bedekt zijn met kleine, veelal kleurrijke
gepigmenteerde schubvormige haren, gegroepeerd als een soort miniatuur-dakpannen. Dagvlinders behoren alle tot twee superfamilies: Hesperioidea en Papilionoidea. Het totaal aantal soorten Hesperioidea en Papilionoidea ter wereld wordt op meer dan 20.000 geschat, het totaal aantal soorten overige vlinders (vooral 's nachts vliegend) op minstens tien keer zoveel. Dagvlinders kunnen eenvoudig herkend worden aan de vorm van de sprieten (antennae; zie figuur 1): bij de Papilionoidea zijn deze aan het einde verdikt (a in figuur 1); bij de Hesperioidea is de antenna veelal in de verdikking gebogen of aan het uiteinde min of meer haakvormig (b in figuur 1). Andere (super)families hebben een andere vorm van antennae (bijvoorbeeld c en d in figuur 1).

Een volledig overzicht van de dagvlinders van Suriname en Frans Guyana is nooit gemaakt. Het totaal aantal soorten dagvlinders in Suriname wordt geschat op 1462 en voor Frans Guyana op 1643. Ongeveer 600 hiervan zijn Hesperioidea (motachtige, veelal kleine en donker gekleurde vlinders) en de overige zijn Papilionoidea. Van deze laatste groep worden een paar soorten diepgaander beschreven


Heraclides thoas thoas

Morpho helenor helenor
Figuur 2 Figuur 3

Heraclides thoas thoas (figuur 2)
Dit is de meest algemene soort van de Papilionidae, de familie van de grote pages en zwaluwstaarten. Heraclides thoas werd oorspronkelijk beschreven door Linnaeus in 1771 vanuit Suriname. Het verspreidingsgebied is van de zuidelijke Verenigde Staten en Cuba tot centraal Argentinië; de ondersoort thoas komt voor in de Guyana's en het aangrenzende deel van Brazilië. In Suriname en Frans Guyana is het een zeer algemene soort in het noorden (in gecultiveerde streken, zoals de Cultuurtuin in Paramaribo), maar hij komt ook voor in het primaire en secundaire bos.

Bij de inname van nectar van bloemen kan bij Heraclides thoas een kenmerk van alle grote pages gezien worden: zelfs in rust blijven de vleugels fladderen en als je goed kijkt, bewegen de voor- en achtervleugels niet in hetzelfde, evenwijdige vlak; alleen bij de grote pagevlinders worden de vleugels in rust 'ontkoppeld' van elkaar.

De eieren worden door het vrouwtje gelegd op verschillende Rutaceae-plantensoorten (onder andere Citrus), maar in Suriname vooral op verschillende wilde pepersoorten (Piper, familie Piperaceae). De eitjes worden op de bovenzijde van jonge bladeren gelegd. De rupsen zijn witgeel met bruin en gecamoufleerd als vogelpoep. Soms zitten ze op een tak, maar meestal volop in het zicht op een blad. De pop zit vast met een gordel en heeft een vrijwel perfecte camouflage van een afgebroken en deels verrot takje.

Morpho helenor helenor (figuur 3)
In Suriname en Frans Guyana komen twee sterk gelijkende soorten 'bandenmorfo's' voor, die, voorzover nu bekend, meestal samen in eenzelfde gebied voorkomen: Morpho achilles en M. helenor.

Morpho helenor werd oorspronkelijk beschreven door de Nederlander Pieter Cramer in 1776. Het is een buitengewoon variabele soort: het verspreidingsgebied is van Mexico via Trinidad en Tobago tot Brazilië en Bolivia en er worden maar liefst 30 ondersoorten onderscheiden! Morpho helenor is wijd verspreid in Suriname en Frans Guyana, zowel in de savannegordel, secundair als primair woud. Meestal ziet men rustige, laag vliegende vlinders op paden, maar indien opgejaagd kunnen ze wegschieten tussen de vegetatie met ongelooflijke snelheid en behendigheid.

De voedselplanten behoren tot de bonenfamilie (Fabaceae) of tot de Bignoniaceae. De rups leeft meestal alleen, voedt zich 's nachts en is harig met grote groene vlekken op de rug. De pop is groen en verrassend klein voor een vlinder van dergelijk formaat.


Caligo teucer teucer

Anartia amathea amathea
Figuur 4 Figuur 5

Caligo teucer teucer (figuur 4)
De Caligo vlinders danken hun populaire naam, uilvlinders, aan de grote ogen als die van een uil, op de onderkant van de achtervleugels. Vermoedelijk worden predatoren hierdoor afgeschrikt. Van Suriname en Frans Guyana zijn vijf soorten bekend. De voedselplanten van deze vlinders zijn gewoonlijk Heliconiaceae (in Suriname 'paloeloe's' genoemd); deze planten zijn nauw verwant met bananen (die komen oorspronkelijk uit Zuidoost- Azië en zijn geïntroduceerd in Zuid-Amerika). Caligo rupsen voeden zich ook op bananenplanten en hebben zich verspreid tot in bewoonde gebieden, zelfs tot in het centrum van de Paramaribo en Cayenne. Aangezien alle Caligo vlinders in de schemering en in de donkere delen van het bos vliegen, worden ze niet vaak gezien.

Caligo teucer, oorspronkelijk beschreven door Linnaeus in 1758 vanuit 'America', komt voor van Venezuela en Trinidad tot Zuid-Brazilië en Paraguay in acht ondersoorten. In Suriname en Frans Guyana komt subspecies teucer waarschijnlijk in het hele land voor, maar wordt weinig gezien. De soort wordt echter gemakkelijk gelokt door gefermenteerde (naar alcohol ruikende) banaan neer te leggen.

De soort, de rups incluis, werd overigens reeds beschreven door Maria Sibylla Merian in haar Metamorphosis Insectorum, gepubliceerd in 1705 (plaat 23): "De bruine Rups? heeft vier steekels op den rug, het hooft vertoond sig gekroont, den stert gespleten, de voeten zijn rood. Den 3. December heeft sy sig vast gemaakt, en is tot een houtvervige Poppetjen geworden, die twee zilvere vlakken op elke zyde had, uit deze Pop kwam den 20. December een schone Cappelle voort... ";

Anartia amathea amathea (figuur 5)
Dit is een van de meest algemene dagvlindersoorten van het land en zal zeker gezien worden. Hij werd beschreven door Linnaeus in 1758 en komt voor van Colombia tot Zuid-Brazilië en Bolivia in vier ondersoorten.

De naam amathea heeft een interessante geschiedenis. Amalthea was in de de Griekse mythologie de naam van de geit die de god Zeus (Jupiter) zoogde (veel vlindernamen in de 18e eeuw werden afgeleid uit de Griekse of Romeinse mythologie). Overigens werd de naam Amalthea later ook gebruikt voor de rode, binnenste maan van de planeet Jupiter. Linnaeus heeft waarschijnlijk het Griekse amalthea foutief omgezet in het Latijnse amathea. Latere auteurs, zoals Clerck (1764) en Cramer (1780) hebben geprobeerd de fout te herstellen en dus amalthea gebruikt, maar aangezien de naam van een soort in de oorspronkelijke beschrijving bepaald wordt, is amathea de enige juiste naam.

In Suriname is de soort in grote aantallen gevonden in de zgn. savannegordel: in en om Paramaribo, Zanderij, Lelydorp, Alkmaar, Wageningen, Albina, maar ook verder in het binnenland (Herminadorp aan de Marowijne rivier, Brownsberg, Blanche Marie vallen, Tibiti rivier). In Frans Guyana wordt hij vooral vanuit bosgebieden beschreven. In feite komt de vlinder overal voor waar de voedselplanten groeien: planten van de Acanthaceae (Acanthus familie) en Labiatae of Lamiaceae (mint familie). Het betreft kruidige planten ('onkruid'), die op goed bewaterde, verstoorde habitats groeien zoals in bermen, gecultiveerde gebieden, langs irrigatiekanalen etc. Vrouwtjes leggen de eitjes vaak niet op de voedselplant maar er vlakbij. De rupsen zijn zwart met roodachtige bruine vlekken en fijn vertakte stekels.

In een bepaalde habitat is Anartia vaak de meest algemene vlindersoort. De vlinders leven meestal 1-2 weken en zijn actief in de zon en bij lichte regen. Vaak worden exemplaren met beschadigde vleugels gezien, waarschijnlijk ten gevolge van predatoren: vogels, hagedissen, insecten (bidsprinkhanen, wespen, mieren) en spinnen. Eitjes en rupsen worden aangevallen door (parasitaire) wespen.

De typische rode kleur van de vleugels speelt een rol bij de voortplanting: mannetjes paren veel minder met vrouwtjes bij wie de rode kleur van de vleugels is verwijderd. Bovendien beschermt de rode kleur mogelijk tegen predatie: in een experiment kregen vogels Heliconius erato te eten, een vlindersoort met zwart met rode voorvleugels met een vieze smaak vanwege giftige stoffen in het lichaam; de vogels die geleerd hadden erato niet te eten, bleken ook Anartia amathea niet aan te vallen. Wellicht is hier dus sprake van mimicry (imitatie).


Anartia jatrophae jatrophae

Dryas iulia alcionea
Figuur 6 Figuur 7

Anartia jatrophae jatrophae (figuur 6)
Eveneens een zeer algemene vlinder, in andere landen bekend als 'de witte pauw.' Anartia jatrophae werd oorspronkelijk beschreven door Linnaeus in 1763, waarschijnlijk naar een exemplaar uit Suriname. Het verspreidingsgebied loopt van de zuidelijke Verenigde Staten en het Caribisch gebied tot Bolivia en Brazilië. Er zijn zeven ondersoorten, waarvan vijf op Caribische eilanden. Jatrophae is de Zuid-Amerikaanse ondersoort.

In Suriname en Frans Guyana komt hij in dezelfde gebieden en habitats voor als Anartia amathea (zie hierboven), hoewel Anartia jatrophae vaker lijkt voor te komen op iets drogere plekken waar lagere vegetatie is, waar de voedselplanten (in dezelfde families als voor amathea, maar ook in de Verbenaceae en mogelijk de Scrophulariaceae ) niet door andere soorten worden benut. De biologie en het gedrag lijken erg op dat van amathea. Na ongeveer vier dagen kruipt het rupsje uit het ei, het rupsenstadium duurt ongeveer 20 dagen en het popstadium zeven tot acht dagen.

De naam jatrophae kan overigens heel goed ontstaan zijn vanwege een foutieve observatie. In 1705 publiceerde Maria Sibylla Merian in Amsterdam haar beroemde boek over de Surinaamse insecten (Metamorphosis Insectorum Surinamensium). Op plaat 4 wordt de vlinder, nu bekend als Anartia jatrophae, afgebeeld op een maniok ofwel cassaveplant (Jatropha manihot). Ze schrijft dat ze vele rupsen op de cassaveplant vond, deze met de bladeren ervan gevoed heeft, waarna uit de pop de vlinder kwam. Linnaeus kende Merian's boek en noemde op grond van deze beschrijving de vlinder waarschijnlijk jatrophae. Nu weten we dat Anartia jatrophae vrijwel nooit op cassave voorkomt en dat het in ieder geval niet de voedselplant voor de soort is!

Dryas iulia alcionea (figuur 7)
Dryas iulia werd oorspronkelijk beschreven door Fabricius in 1775 vanuit 'America'. Er zijn 13 subspecies van de zuidelijke Verenigde Staten en het Caribisch gebied tot Centraal- en Zuid-Amerika. Negen subspecies komen voor op Caribische eilanden. Onderzoek heeft uitgewezen dat Dryas iulia via twee routes het Caribisch gebied heeft bereikt, aan de ene kant noordwaarts vanuit Zuid- Amerika tot de Antillen en Florida, aan de andere kant vanuit Midden-Amerika tot Jamaica.

Subspecies alcionea werd oorspronkelijk beschreven vanuit Suriname door Pieter Cramer in 1779. Alcionea komt in het grootste deel van Zuid-Amerika voor. In Suriname en Frans Guyana wordt deze vlinder vaak gezien, maar weinig verzameld, vanwege zijn snelle vlucht en ongelooflijke behendigheid. In Suriname is hij gevonden in de kustgebieden (Galibi, Wia Wia beach), Albina, Paramaribo (Cultuurtuin!) en Nickerie area, maar ook in gebieden met primair bos zoals de Brownsberg (zowel op het plateau als Witikreek), het Lely gebergte, de Blanche Marie en de Raleigh vallen (Foengoe eiland). In Frans Guyana is hij beschreven vanuit het kustgebied en Saut Maripa.

De soort wordt vooral gezien langs bospaden en in open plekken op ongeveer drie meter hoogte of terwijl hij bloemen bezoekt.

De eitjes worden een voor een gelegd, meestal op jonge scheuten of bladeren van een beperkt aantal soorten Passiflora (markoesa) planten, maar soms ook op vegetatie in de buurt van de voedselplant. De volwassen rupsen zijn veelkleurig: meestal beige met rode tot bruine vlekken met fijne zwarte lijntjes; ze hebben lange zwarte en drie paar witte stekels op het lichaam en twee kleine kophoorntjes. De pop is donkerbruin, hangt vertikaal en is afgerond S-vormig. De rupsen kunnen een lichte plaag zijn voor markoesas.



Contact | Sitemap | Auteurs | Webmaster | ©2006 Stichting Trésor