Over vogels tijdens de Trésorreis 5 t/m 28 februari 2006
Een schatkist vol vogels
Frank van den Haak
Na lang en diep geslapen te hebben werd ik wakker.
Het was buiten al licht. Ik hoorde vogels fluiten. De heggenmus zong zijn brabbelliedje, een merel schetterde en even later startte een koolmees zijn krachtige tweetonige zang. Ik herkende alle vogels die ik hoorde, ik was weer thuis!
Dat was drie weken lang geheel anders geweest. Met name in het oerwoud hoorde je allerlei vogels de mooiste geluiden maken, maar wie de roeper of zanger was bleef onbekend. Zij zaten boven in de kruinen en dat is erg hoog in een oerwoud. Mierenetende vogels zitten laag bij de grond, maar ook daar ontnemen de planten het zicht.
Ramphocelus carbo venezuelensis
foto Olivier Tostain
Cultuurvolgers
Op overnachtingsplekken, hotels en hangmatresorts, hebben doorgaans open ruimten om zich heen. Dat is heel erg prettig als je vogels wilt kijken en dat wilde ik! Ik was voor het eerst in de tropen en ik had me voorgenomen niets te missen. Een locale vogelkenner had mij de avond te voren bloemen aangewezen en verteld dat bij het ochtend krieken hier kolibries te zien waren. De eerste ochtend was ik daarom met zonsopgang al in de hoteltuin te vinden. En er zouden nog vele van dergelijke ochtenden volgen. Ik heb mijn kolibries gezien, maar niet lang. Met hun snelle vleugelslag komen ze 'floep' te voorschijn en zijn ze ook weer 'floep' verdwenen. De verschillende soorten lijken erg op elkaar en, voor zo ver ik gehoord heb, zingen ze niet. Ik durf daarom geen namen te noemen. Ik zag gelukkig veel meer, een berg vogelsoorten die zich thuis voelen in het biotoop 'mensenwereld'.
Tussen die mensenwereldvogels zitten heel mooie en grappige dieren. Bijvoorbeeld de Silver-beaked Tanager, Ramphocelus carbo venezuelensis, zijn kleur is zo donkerrood, dat het haast zwart lijkt. Net als onze mus begeeft hij zich op de al of niet verlaten eettafels en doet zich te goed aan de kruimels. De mannetjes hebben een opvallend brede bek met opzij een zilveren glans. Vandaar de naam 'zilverbek'. Een onmiskenbare vogel die het geluid maakt als de roep van de grote bonte specht.
Bij ons kent iedereen de merel. Deze heeft een net zo algemeen tropisch neefje. Hij is hier echter niet zwart maar heeft een grijze kop, bruine vleugels en een lichte borst. Hij heet dan ook vaalborst lijster, Turdus leucomelas. Hij kan echter nog wel op zangles bij z'n Europese neef. Hoewel, het schemert in de tropen nauwelijks en dan is de merelzang op z'n mooist.
Een echt komisch vogeltje in de hotel- en andere tuinen was de Blueblack Grassquit, Volatinia jacarina. Het is een vooral zwart glanzend vogeltje dat onopvallend graszaadjes eet. Tot dat hij het op z'n heupen krijgt en vanaf een takje 'tetsjri' roept en als een duiveltje uit een doosje 20 cm omhoog vliegt om even zo snel weer op het takje neer te dalen.
Veruit de meest voorkomende als onopvallende vogel is de Palmtangara, Thraupis palmarum melanoptera. Er staan nogal wat palmen, dus zie je ook palmtangara's. Het was een van de eerste vogels die ik zag, maar mijn beschrijving 'licht groen met de achterhelft van vleugels en staart zwart' zei mijn Guyaanse vogelleermeesters Olivier en Kévin niets. Pas op bladzijde 9 van mijn aantekeningenboekje heb ik z'n naam opgeschreven, toen heb ik de palmtangare uit het dikke boek 'Birds of Venezuela' kunnen plukken. Zodra we niet meer in de 'echte' natuur waren zag je ze.
Een vogel die ik meer hoorde dan zag, hij klonk als het rateltje van onze braamsluiper maar dan wat melodieuzer, was de House wren. Deze naam vertalen in het Nederlands doet de vogel geen eer aan. Dat zou namelijk huiswinterkoning zijn. Een koning woont in een paleis en winter heb je al helemaal niet in de tropen. De vertaalde Surinaamse naam 'godsvogeltje' is veel eleganter. Deze Troglodytes aedon is een van de zoveel godsvogeltjes die in de vogelgids staan. Zoals bij meer vogels heeft elk biotoop zijn eigen soort. Kom je dit bruine vogeltje met opgewipt staartje tegen bij het water dan is het Troglodytes venezuelensis, die zagen we waar we in de boot stapten om
het Kawmoeras te veroveren. Kom je hem tegen in de bergen (Brownsberg), dan is het de Henicorhina leucosticta, de Grey-breasted Wood-Wren. Maar die herken je ook aan de witte zijkant van z'n kop met een zwarte oogstreep.
Kawmoeras
Aan de voet van de bergketen waar Trésor op ligt bevindt zich een uitgestrekt moeras, het Kawmoeras. Dit heeft een vegetatie die goed zicht biedt op de avifauna. Vanuit twee snelle motorboten lieten wij de pracht van het moeras aan ons voorbij gaan. Met de folder in de hand van het Kawmoerasbezoekerscentrum leek het een koud kunstje om de ons passerende vogelsoorten te herkennen. Er werd echter flink doorgevaren zodat kleine vogeltjes tussen het riet sneller voorbij waren dan me lief was. Echter, een vogel die je niet kon missen was Ani, Crotophaga ani. Hij is zwart, 35 cm en heeft een opvallend dikke snavel. Het zijn sociale dieren die vaak in een groepje op een tak zitten.
Phalacrocorax brasillianus
Egretta thula
foto"s Olivier Tostain
Het is mij een paar keer overkomen dat ik van grotere afstand dacht dat er een groot dier op een tak zat. Dichterbij gekomen bleek het een rijtje Ani's te zijn. Hij schijnt familie te zijn van de koekoek, maar legt geen eieren in andermans nest. Sterker nog, vrouwtjes broeden met elkaar in één nest.
En dan de ijsvogels, een dier met net zo'n onmogelijke naam als de winterkoning. Kingsfisher of Martin-pêcheur klinkt beter. Maar hoe tropisch het ook was, ik vind de 'vliegende dolk' in ons land tropischer kleuren hebben dan z'n familieleden die wij tegenkwamen. Er moeten drie soorten voorkomen, ik kwam niet verder dan een grote en een kleine soort. Die grote was ongetwijfeld de Ceryle torquata, met een geheel rode onderkant en met alleen een witte hals. De twee kleinere soorten zijn gelijk gekleurd, met slechts een rode band over de borst.
Ik heb opvallend weinig eenden gezien, vergeleken met de vele soorten die met name in de winter massaal in Nederland bivakkeren. In Frans Guyana was de Muskuseend, Cairina moschata, de enige. Je ziet hem op het erf bij (kinder)boerderijen ook wel eens waggelen. Ik vind het een beetje een lelijk beest, vooral zwart met wat rood gelubber aan de bovenkant van de snavel. Maar als het je enige eend is moet je er natuurlijk zuinig op zijn.
Met reigersoorten was het beter gesteld. Deze zijn over het algemeen aan de grote kant en daarom makkelijk te bekijken. De gezelligste reiger vond ik de koereiger, Bubulcus ibis. Eerst leken ze op grote grijze stenen te staan, maar dit bleken buffels die tot hun kin in het moeras stonden. Behoorlijk stomme gedachte van me over die stenen, want natuurlijk staan koereigers op koeien. Reigers die bij mij thuis ook in het natuurgebied om de hoek staan, zijn de kleine zilverreigers. Met de aalscholvers waren dat eigenlijk de enige dieren die ik dacht al te kennen uit ons eigen land. Mis, doordat die grote zee er tussen zit hebben zich in de loop van de tijd aan beide zijden van de Atlantische oceaan andere soorten gevormd. Die aalscholver heet de Bigua Aalscholver, Phalacrocorax brasilianus. Een tweede soort aalscholver, die vooral zwemmend de aandacht trok, was de Amerikaanse slangenhalsvogel, Anhinga anhinga. Slechts met z'n nek bovenwater bewoog deze als een opgerichte slang door het water. De kleine zilverreiger was, hoe kan het ook anders, de Amerikaanse, Egretta thula. Echter, de grote zilverreigers, Ardea alba, was wel weer gelijk aan de Europese soort. Deze zal minder lang geleden de zee zijn overgestoken.
Ik verwacht dat ik ook zal veranderen als ik langere tijd in de tropen woon en ik door die Atlantische oceaan gescheiden wordt van de West-Europese wereld.
Hier in het noorden moest je van oudsher zomers hard werken om genoeg eten te hebben om de winter door te komen. Toen is genetisch al de kiem gelegd om workaholic te worden. Als er geen winters zijn en het hele jaar er altijd wel ergens een mango klaar ligt om op te eten en het bovendien te warm is om je te veel uit te sloven, dan kom je vast vanzelf in
een nieuwe gemoedstoestand, leven per dag en morgen zien we wel weer. Drie weken waren daarvoor te kort. Net terug in ons koude kikkerlandje vroeg ik mij de eerste week nog wel af waar iedereen toch zo druk mee bezig was. Maar na een week deed ik weer net zo hard mee.
Arundinicola leucocephala, witkopvliegenvanger
Jacana jacana (jong)
foto"s Olivier Tostain
Nog twee vogels die ik graag wil noemen zijn de Jacana en de witkopvliegenvanger. De zwarte jacana, Jacana jacana, is de mascotte van het Kawmoeras, een soort waterhoen, maar dan wat kleuriger. Vooral als hij opvloog lichtte het geel aan de onderrand van de vleugel op. De witkopvliegenvanger, Arundinicola leucocephala, is een vliegenvanger die gewoon goed te herkennen is, en dat is best eens prettig. Al die andere vliegenvangers lijken zo op elkaar, allemaal geel, dat mij de moed ontbrak om pogingen te doen deze te onderscheiden.
Oerwoudklanken
Tja, vogels kijken in het oerwoud, dat vind ik niet altijd makkelijk met al dat groen voor me, achter me, links van me, rechts van me en boven me. Gelukkig wisten we door goed op te letten het geluk af te dwingen en hebben we prachtige vogels gezien. Meestal moest je met je oren kijken.
Tijdens de lunch in Patawa werden we verblijd door een groepje Paradise tangara's, Tangara chilensis coelicolor. In het Frans heet deze vogel Calliste septicolore. Zeven kleuren dus, prachtige kleuren! Een groene kop met een zwarte ring om de ogen, een donkerblauwe baard en een metallic lichtblauwe buik, de rug rood, de stuit geel, schouders en staart zwart en ook de vleugels zwart met blauwe dwarsstreepjes. Dat zijn dus zes kleuren, maar wel een heel mooi vogeltje.
Zo verwachtte ik ze in de tropen. Het is echter niet allemaal goud wat er blinkt, niet alle vogels hebben exotische kleuren. Gelukkig maken vele daarvan wel exotische geluiden. En het leuke daarvan is dat, als je goed luistert, je meteen weet hoe die betreffende vogel heet. Tenminste in de inheemse taal. In het oerwoud bij Thomas werden wij getrakteerd op de Pai Paio, een vogel die melodieuze kermisklanken voort bracht. Te zien kregen we hem echter niet. Terug in het kamp bij de gezellige borreltafel, toen wij alweer aan de heerlijkste dranken zaten, bladerden Thomas en z'n crew door
'The Birds of Venezuela'. Na veel overleg en discussie werd de Pai Paio aangewezen, een vrijwel egale grijze vogel. Het was de schreeuw piha, Lipaugus vociferans, geweest die het bos met exotische geluiden vulde. Ik heb van z'n zang genoten, maar het schijnt dat mensen die vogelgeluiden opnemen een hekel aan hem hebben omdat hij in alle opnamen nogal overheerst.
Een andere producent van speciale geluiden was de Capuchonvogel, Perissocephalus tricolor. Hij klonk alsof er een puber op een brommer aan het crossen was. Overigens is deze Capuchonvogel wel heel bijzonder om te zien, maar ook hij bleef verborgen in het groen.
In ons eigen Trésor-oerwoud werd ook flink muziek gemaakt. Daar klonk o.a. een helder meertonig concert, dat een vrolijke glazenwasser niet zou misstaan. Het werd ten gehore gebracht door de musician wren, Cyphorhinus aradus, een soort winterkoninkje met een verticaal gestreept nekje.
Onze oranje rotshaan, Rupicola rupicola, heeft trouwens ook een mooie roep in huis, alleen die hebben we niet gezien en niet gehoord. Hij is vooral actief in de vroegste ochtend, terwijl wij vol verwachting ergens midden op de dag zijn territorium betraden.
Nog zo'n prachtige oerwoudfluiter is de witte klokvogel, Procnias alba. Deze vogel, het mannetje althans, is helemaal wit en heeft een zwarte draad vanaf z'n snavelbasis naar beneden hangen. Niet dat ik dat gezien heb, ondanks dat ik een halfuur op diverse plekken op de Brownsberg op m'n rug op het strooisel lag en de kruinen lag af te zoeken. Steeds klonk weer z'n 'Tong hii', als een klok, maar de klepel heb ik niet zien hangen! Hij laat z'n klok alleen in de droge tijd in bergbossen weerklinken, we waren er dus op het juiste moment.
Nog zo'n liefhebber van bergbossen is de kamikami of te wel de trompetvogel, Psophia crepitans. Ze schijnen makkelijk tam te maken te zijn en dankzij het voederen van deze dieren op de Brownsberg was het een fluitje van een cent om ze te zien. Maar terug in het oerwoud lieten ze ook hun getrompetter horen.
Grietjebie
Een vogel die zoveel voorkomt dat je hem bij wijze van spreken haast overal uit je nek moet kloppen, is de grote kiskadie, Pitangus sulphuratus, beter bekend als de grietjebie. Wie kent hem niet, overal schreeuwt hij z'n naam. Een zeer bekende vogel met een gele buik, witte keel en veel bruin aan de bovenzijde. Hij heeft een witte band om zijn hoofd, die begint bij zijn stevige snavel.
In Moi Taki liep ik voor het ontbijt achter een vogelgeluid aan te jagen in de hoop de zanger in beeld te krijgen. Op het schoolplein werd ik bekeken door een groepje vroege leerlingen. Ik stapte op ze af en probeerde ze uit te leggen wat ik aan het doen was. Hoewel ik zuiver Nederlands sprak en al hun lesboekjes ook in het Nederlands zijn, zeiden ze geen woord terug. Ze keken me alleen maar aan met hun grote ogen. Ik wees ze op een
Pitangus sulphuratus, Grietjebie
foto Olivier Tostain
roepende grietjebie en noemde z'n naam. Ik groette beleefd en vervolgde m'n vogeljacht. En kwartiertje later liep ik terug langs de school naar de ontbijttafel. Het groepje leerlingen zag mij voorbij lopen en riep vol enthousiasme 'Grietjebie!'. Ik zwaaide lachend terug, maar of mijn educatie nu wortel had geschoten of dat ik voortaan bij deze jongens Grietjebie heet weet ik niet.
Grietjebie heeft een hele rij broertjes en zusjes die erg op elkaar lijken. Eentje die goed te onderscheiden is vanwege z'n grijze kop en die ook veel voorkomt is de koningstyran, Tyrannus melancholicus. In Suriname heet hij Krontogrietjebie, maar wordt omdat hij lang stil zit en een grijs hoofd heeft ook tontolie genoemd: 'oude vrouw zonder tanden'. Vanaf het balkon van ons hotel in Paramaribo, Alberga, heb ik naar een voorstelling van zo'n oude vrouw gekeken. Er zat er eentje aan de overkant op een kabel, stil te wachten op een lekker hapje. Om de paar minuten vloog hij op en keerde doorgaans terug met een vette libel in z'n snavel. Vanuit een luie stoel met een koele drank is het zeer relaxed vogelen, echt chillen.
Roofvogels
Een rijke natuur heeft ook een keur aan roofvogels, het topje van de voedselpiramide. Mijn lieveling was de zwaluwstaartwouw, Elanoides forficatus. Hij lijkt op een sierlijke grote zwaluw en is helder wit met zwarte staart en achterkant van de onderkant van z'n vleugels. Dat z'n staart en vleugels ook aan de bovenkant zwart zijn, zie je niet, omdat hij meestal hoog boven je zweeft op jacht naar insecten. Maar vanaf de Brownsberg kon ik ook bovenop ze kijken tijdens hun sierlijke vlucht. 'hun', omdat je er vaak meerdere tegelijk ziet. Ook toen ik op m'n rug lag, op zoek naar de klokvogel, zag ik ze vlak boven de boomtoppen vliegen.
Dat we, Heleen, Leen en ik in Galibi de langsnavel wouw, Chondrohierax uncinatus, zagen was een buitenkansje. Het is een zeldzame vogel die je vooral treft in de buurt van natte bosgebieden en oude plantages, dus vooral in het kustgebied. In een folder over Galibi stond vermeld dat hij in Suriname alleen op Galibi broedt. Hij heeft een lange snavel waarmee hij slakken uit hun huisjes kan peuzelen. Naast dat hij zeldzaam is, is hij ook erg mooi. We zagen hem voor ons poseren op een kale boom, een grijs-blauwe vogel met geel-oranje poten en snavel en een lichte borst met dwarsstrepen.
En dan natuurlijk de gieren, in het oerwoud zie je vooral de geelkop gier en aan de kust is het de zwarte gier die de dienst uitmaakt. In Galibi fungeerden ze als vuilnismannen. De erven van de huizen waren schoon, kaal zand, maar de erfafscheiding bestond vaak uit afval. Vooral plastic, want al het eetbare was reeds in de magen van de gieren verdwenen. Hele kuddes zaten in de bomen of huppelden over het strand. Opvallend vond ik dat ze soms net als aalscholvers met hun vleugels uitgespreid in de zon stonden, waarschijnlijk om ze te laten drogen. Nat van het vissenvangen waren die vleugels niet, het is vast een aanpassing aan een biotoop waar 5 tot 8 meter water per jaar valt, dan moet je nog wel eens opdrogen.
Op de Marowijne ontmoetten we ook regelmatig de visarend, Pandion haliaetus. Helaas heb ik er nooit een gezien die een vis ving, meestal vlogen ze weg, ik neem aan dat ze niet zo gesteld waren op onze snelle korjaal met z'n 75 pk motor. Net als wij, zijn die visarenden gasten, ze broeden in Noord-Amerika, maar vinden het daar 's winters te koud en overwinteren in de tropen. Als ik vleugels had zou ik hetzelfde doen.
Eenmaal vloog er boven de Marowijne een zwart-witte kuifarend, Spizastur melanoleucus, voor ons weg. Deze arend heeft een fraai getekende kop, wit met een zwart petje op (z'n kuif) en een zonnebril. Z'n vleugels zijn van boven pikzwart en vanonder is hij spierwit met aan de zomen van staart en vleugels een dun zwart randje.
De tuin van Hanny
In Cayenne bezochten we het herbarium. In Paramaribo stond net zo'n bezoek op het programma. Eerst dachten we: 'alweer naar een herbarium', maar goed, het was nu eenmaal afgesproken en we wilden Wim het ook niet aandoen alleen te gaan. Het pakte echter zeer positief uit. Na een boeiend bezoek aan het herbarium van Suriname werden we geïnviteerd door onze gastvrouw, Hanny van de Lande, om 's middags haar tuin te bezoeken. Daar ging het dus over haar geurende en genezende planten, maar ik kon het niet laten elk vogeltje dat voorbij kwam belangstellend te volgen. Met dank aan Hanny die sommige vogels voorzag van Surinaamse namen.
De lijsters heten dus boontjedief. Daar heb je verschillende soorten van. De meest wonderlijke zag ik in Albina, de gebrilde boontjedief, Turdus nudigenis. Hij heeft een grote gele ring om z'n ogen, echt geen gezicht. Nog zo'n dief in Hanny's tuin was het suikerdiefje, Coereba flaveola, een klein uitgevallen grietjebie (10 cm) die met z'n scherpe priemsnaveltje een gaatje in een bloem boort om de honing eruit te halen. De kaneelattila, Attila cinnamomeus, is een prachtig kaneelkleurig vogeltje, maar die zag Hanny niet, zij vertelde honderd uit over haar planten. Ik inviteerde haar om mijn Tropische Kas te bezoeken. Hoewel ze deze zomer haar broer in Beverwijk opzoekt sloeg ze de uitnodiging beleefd af, want daarna ging ze meteen naar Frankrijk, met als motief dat het weer daar beter is. Wat moet je ook in dat koele Nederland als je uit de tropen komt?
Kolibries
Ik zag ze regelmatig, niet alleen in hotel tuinen en niet alleen 's ochtends vroeg. Ze snorden voorbij, dan weer honingpeurend, soms dacht ik echt dat ik een grote hommel zag dat dan toch weer een kolibrie bleek te zijn. Vogels houden erg van rood en daarom zijn veel bessen bij ons rood. Als een bloem door vogels bestoven wil worden moet hij rood zijn. De hangende lampjes van de Hybiscus kunnen op kolibries rekenen, maar ook de met honing gevulde schijnbloemen die boven in het tropisch regenwoud groeien. De meest voorkomende kolibrie is de franje amazilia, Amazilia fimbriata, die heb ik dus vast gezien! Maar in het Kawmoeras heb ik Olivier ook "old green hummingbird" horen noemen, die heb ik helaas in geen boek of website kunnen terugvinden.
Spechten
Spechten zingen niet, ze roffelen, typisch een vogel die je meer hoort dan ziet. Maar ik had het geluk ze in beeld te krijgen, twee nog wel! Dat was na de nacht doorgebracht te hebben in een soort muziekkoepeltje aan de Marowijne. Er kwamen zomaar twee gestreepte helmspechten, Dryocopus lineatus, uit het oerwoud gevlogen. Het zijn zwart-witte vogels met een prachtige grote rode kuif op de kop, echt zo'n Woody Woodpecker-beest.
Buidelvogels
Wevervogels zijn een fenomeen dat wij in Nederland niet kennen. De wielewaal is weliswaar familie en weeft kunstig z'n nest om wat takken, maar het blijft het wel bekende nestbakje. Tijdens onze reis hebben we regelmatig bomen vol zien hangen met buidels. En als dat de aandacht niet trok was het wel het luidruchtige gekwebbel van de bewoners. 'Krek wak wou', riepen ze met hun forse stem, in het Fries betekent dat 'precies wat ik wilde', een prachtige naam voor een leuk huisje op het Friese platte land. Maar nu dus, in
de tropen, bomen vol met geweven buidels, soms meerdere aan elkaar, bewoond door vooral de geelstuit buidelspreeuw, Cacicus c. cela, en bij het hotel woonde in de achtertuin ook de roodstuit buidelspreeuw, Cacicus h. haemorrhous. Echter, als de buidelspreeuwen niet oppassen komen vogels als de piraat vliegenvanger, Legatus leucophaius, in die mooie buidels broeden. Nestparasitisme noemt men dat.
Zee
En toen kozen we het ruime sop, met een catamaran naar Duivelseiland. Dat betekende dus dat we weer een nieuwe groep vogels mochten bewonderen. In de haven van Kourou was een schaarbek, Rynchops niger, op zijn karakteristieke manier aan het vissen. Hij vliegt vlak boven het water en laat z'n onderste snavelhelft in het water hangen. Zodra hij iets voelt klapt in een reflex de snavel dicht. Hierbij zal hij niet de 4-ogige visjes, Anableps anableps gevangen hebben. Die hobbelden met de branding mee.
De fregatvogels, Fregata magnificens, spraken ook zeer tot mijn verbeelding. Het is een grote mooie slank uitgesneden zwart-blauwe vogel met lange zwaluwstaart. Fascinerend aan deze vogel is de krop van het mannetje die vuurrood is en die hij tot buitengewone proporties kan opblazen. Helaas zagen we dat fenomeen niet, maar eigenlijk is het ook geen gezicht.
Op de weg terug naar Kourou scheerden er nog zeezwaluwen, of te wel stormvogeltjes vlak boven de golven. Kévin was zeer opgetogen, voor hem waren het z'n eerste stormvogels. Ik heb ze niet eens opgeschreven en weet dus niet meer welke soort het precies was. Kévin vast nog wel. Terug in de haven, waar we pogingen ondernamen om een groepsfoto te maken, werden we verwelkomd door de Glanskoevogel, Molothrus bonariensis. Dat is een zwartglanzende vogel, althans het mannetje, want het vrouwtje is grijs. Dat mannetje had wel iets van kauwtjes. Het vrouwtje echter gedraagt zich als koekoek en legt in jan-en-allemans nesten eieren.
Nieuw
De meest wonderlijke vogel die ik zag vond ik de Potoo, Nyctibius griseus, in het Nederlands de grijze reuzennachtzwaluw. Die zagen we tijdens onze nachtelijke vaartocht bij Thoma. Het zijn dieren met een geweldige schutkleur. Daarnaast zitten ze doorgaans in paalhouding, zelfs als ze in een kuiltje van een tak of bovenop een recht afgebroken takeinde hun ei leggen, dus je ontdekt ze vrijwel niet. Hij leeft 's nachts van het met z'n heel grote bek vangen van insecten, dat bevordert het zien van dit dier ook al niet. Maar met de zaklamp lichten z'n ogen op en ontdekten we hem boven in een boom op een tak boven het water.
Vogelzangtoernooi in Suriname
Kooitjes
Veel Surinamers houden erg van vogels, althans in een kooitje. Dat is handig want dan kunnen ze hem overal mee naar toenemen. Ik zag zo links en rechts kooitjes met inhoud hangen, maar ook kooitjes onderweg. Eén keertje zat er een zwartkopsijs, Carduelis magellanica, in, alle andere keren waren het Picolettes (zwartkopzaadkraker, Sporophile curio). Ook de Twa Twa (dikbekzaadkraker, Oryzoborus crassirostris), Gelebek en Rowti (dwergdikbekje, Sporophila minuta) zijn geliefde kooivogeltjes.
Zowel in Suriname als in Nederland worden hiermee vogelzangtoernooien gehouden (zie foto).
Duiven
De musduif, Columbina passerina, is een turkse tortel zo groot als een mus. Hij broedt op de grond tussen het gras en vliegt pas weg als je bijna op hem staat. Bij de eerste keren dat ik ze zag vliegen herkende ik ze niet. Ze vliegen namelijk opvallend snel en de kleur van een vliegende vogel is anders dan van een vogel in rust. Vliegend lijken ze opeens bruin door de bruine onderkant van de vleugels. Je komt ze regelmatig in dorpjes tegen en ze zijn echt schattig.
Toekans
De Gyana-pepervreter, Selenidera culik, was zo ongelukkig om tegen de bus te vliegen. Dat gaf ons de gelegenheid om deze toucanet van dichtbij te zien. Deze kleine toekansoort bloedde uit z'n grote snavel, maar is later toch weggevlogen. Andere toekans die we zagen waren in gevangenschap, gekortwiekt. Ik zie ze dan toch liever ver weg hoog in de bomen vliegen, zoals de ochtend bij Patawa. Ik weet niet welke toekans daar in de verte kabaal schopten, maar zag wel dat ze genoten van hun vrije leven.
Slot
Ik heb maar een piepklein stukje van de tropen gezien en heb nog niet eens alle vogels genoemd die ik ontmoette, zo rijk zijn de tropen, niet te beschrijven. Nu zijn deze vogels tot zoete herinneringen geworden. Deze schatkist wil ik koesteren, ik zal weer een aantal m² Trésor aanschaffen...